| 44P - Vervolg dagverhaal |
blz 240 |
Tom!" als ze hun bizondere vrienden herkennen. Zakdoeken
wapperen en worden dan weer tegen de ogen gedrukt, menige traan vloeit.
Jongens draven een eind mee met de stoet en rapporteren later dat ze in
de richting van Grave trokken en van daar naar Eindhoven. En verder? Dat
is het grote vraagteken. Zelf hebben zij gezegd dat zij over drie weken
een paar dagen verlof krijgen en dan hier zullen komen.
Vader van Tilborg twijfelt er aan en denkt dat zij dit enkel beweerd
hebben om 't afscheid te verzachten: "'t zijn soldaten en niet voor
niets zegt 't liedje: in ieder stadje een ander schatje." Zijn
vrouw is 't niet met hem eens: "Ik weet zeker dat die jongens van
ons nog wel eens terug zullen komen, tenminste als zij kunnen en onze
Lieve Heer hen in 't leven spaart."
't Is een sombere Novemberdag, 't regent en er waait een koude wind.
- 84 -
Hoe leeg en saai is het stille stadje na hun vertrek. De korte brede
Marktstraat, 't hart van het oude stadje, ziet er troosteloos en
verlaten uit met al die blinde vensters. Planken vervangen de gebroken
ruiten van de deftige herenhuizen zo goed als van de ouderwetse winkels.
Wat deert het ook, er valt toch niets uit te stallen. Voor de streng
gerantsoeneerde levensmiddelen behoeft men de mensen niet te lokken, zij
zijn er wel als de kippen bij om hun aandeeltje te halen.
De Engelsen weten het ook al in hun gebroken taaltje te zeggen:
"Niks in de winkel, niks in de stoof!"
Toch heeft iemand in een zijstraatje een zaakje gevonden waar nog enig
schrijfgerei te verkrijgen is en mij van die ontdekking in kennis
gesteld. Terwijl ik mijn inkoop deed, geraakte ik in gesprek met een
andere klant, eveneens vluchteling. Hij was afkomstig uit Arnhem en
vertelde van een vlucht tijdens hevige gevechten, meet een doodzieke
oude moeder die zij uit de bovenverdieping van een brandend huis hadden
moeten halen. De oude vrouw was enkele dagen later gestorven, gelukkig
maar, zeide hij, dan maakte zij geen ellende meer mee. Niets hadden zij
kunnen redden, niets bezaten zij buiten de kleren aan 't lijf.
Na veel omzwervingen waren zij hier ergens in de omgeving terecht
gekomen en woonden nu sinds vijf weken in het kippenhok van een
boerderij, hij, zijn vrouw en elf kinderen. "Voorlopig zijn wij
gered, allemaal. Daar ben ik dankbaar voor, maar als ik aan de toekomst
denk, wat er later van ons moet worden, dan zou ik bijna gaan wanhopen.
Ik had een mooie zaak en ruim mijn brood en behoefde niemand iets te
vragen. Nu hang je van de goedgunstigheid van de mensen af en dan doen
ze soms nog alsof je voor de lol vluchteling bent."
Groesbekers die ik kort daarop sprak, lieten zich op dezelfde wijze uit:
"De mensen van hier hebben geen begrip hoe ellendig het is van huis
en haard verdreven te zijn, zij kunnen zich niet voorstellen wat je
allemaal moet missen."
- 85 -
De volgende dag bezochten wij zo'n tot woning ingericht kippenhok. Het
waren niet de onfortuinlijke Arnhemmers maar Groesbekers die er in
huisden, eveneens een gezin van dertien hoofden. De vrouw was blijkbaar
een goede huismoeder, alles zag er zo ordelijk en schoon uit als 't in
deze omstandigheden slechts mogelijk was. Het eerste gedeelte diende tot
woonkamer en keuken en was ingericht met een wankel tafeltje, wat
afgedankte stoelen en een tuinbank; het kleine kacheltje dat in 't
kippenhok thuis hoorde gaf een behagelijke warmte. De vrouw was bezig om
te trachten zonder zeep de kinderwas schoon te krijgen. De kinderen had
zij zolang in bed gestopt, zij bezaten immers geen ander stel kleren dan
die waarin zij gevlucht waren. In het achterste gedeelte van het hok was
de slaapgelegenheid ingericht, daar lag stro op de grond gespreid. Van
onder de hoog opgetrokken dekens keken nieuwsgierige kinderkopjes met
glinsterende ogen naar het bezoek, vooral de hond trok hun aandacht. De
hond Schot die allerlei kunstjes vertoonde en tot hun verrukking zelfs
op zijn achterpoten ging dansen. Van geestdrift vergaten zij hun gebrek
aan kleding en kropen spiernaakt onder hun dek uit, maar de moeder joeg
ze er gauw weer onder. Terwijl Schot de kinderen vermaakte, pijnigde ik
mijn hersens met het vraagstuk hoe de vrouw in deze omstandigheden ooit
tot het wassen van haar eigen kleren zou kunnen komen.
Gelukkig waren er barmhartige zielen te vinden die de moeilijkheid
oplosten door kledingstukken af te staan en ook konden wij nog over enig
ondergoed met zwarte raven
|