| 44L - Vervolg dagverhaal |
blz 206 |
vluchtelingen zich af of zij op dat vochtige weiland onder de blote
hemel met de kinderen de nacht zouden moeten doorbrengen. 't Antwoord
kwam: allen zullen naar het kamp van Helmond vervoerd worden; de bagage
blijft voorlopig hier en wordt later wel achterna gebracht. Eenige grote
legerwagens reden de weide op en werden onverwijld ingenomen door de
Stekkenbergers.
Piet de Smid, zijn wagen volgeladen met kinderen en beddegoed,
verklaarde beslist: "Maar mijn boeltje laat ik hier niet achter en
naar Helmond, dat nog in de gevechtslinies ligt, krijgen ze mij ook
niet." "Wat ga je dan doen?" informeerden die van
Vogelsangh op de wagen er naast.
"Volg mij maar, ik ben hier bekend" en achter Piet aan
verlieten zij de weide en kwamen al spoedig in het bosch, op de
onbegaanbaar stukgereden weg. Al spoedig bleven beide wagens in het
mulle zand steken. Doch thans konden Meneer en Mevrouw van de Villa
daadwerkelijk helpen door hun kennis van de Engelsche taal. Zij legden
de toestand aan soldaten uit, die behulpzaam dadelijk een paar jeeps
gingen halen. De voerlieden spanden de paarden uit en de jeeps namen de
plaats van de trekdieren in; echter niet zonder moeite en overleg, daar
ze niet tussen de lamoenbomen pasten, zodat eenige soldaten de
noodzakelijke verbinding moesten vormen. In alle ellende was het toch
een allerzotst gezicht geweest de kerels, met één hand aan de berrie
en de andere aan de jeep vastgeklemd, als jonge geitjes te zien springen
door het mulle
- 20 -
zand en over de dwars op de weg gelegde boomstammen. Ondanks al hun
inspanning wilden de goede jongens geen geld aannemen. Verontwaardigd
wimpelden zij 't af: "Verbeeldt je, van vluchtelingen!" Appels
werden dankbaar aanvaard.
De voerman bracht zijn passagiers naar een klein ontginningsboerderijtje
aan 't einde der bossen. Een oud span uit Groesbeek had hier reeds
huisvesting gevonden, de boer en boerin stonden hun de eigen bedstede
af, waarin zij nu te rusten lagen. Thans kwamen er nog zeventien
volwassenen en kinderen onderdak vragen en ook zij werden liefderijk
opgenomen. Na hen eerst met hete koffie gelaafd te hebben, -waarbij het
meegebrachte brood en spek verorberd werd - spreidde de boer in de stal
een laagje stro. Met behulp van eigen dekens maakte ieder zich een
nachtleger. Zoo goed en zoo kwaad als 't ging in den donker, want de
boer had uit begrijpelijke angst voor brand de lantaarn dadelijk weer
mee naar binnen genomen.
In de tochtige stal, op een te dunne laag stro, onvoldoende gedekt,
uitgeput door alle rampspoed, kon niemand de slaap vinden. Het paard
stampte onrustig, de varkens knorden. Ritselend liepen muizen of ratten
rond en de kinderen, van streek geraakt door 't lange verblijf in
vochtige kelders, moesten telkens geholpen worden. Het werd een
ellendige nacht voor allen. Behalve voor hond Schotje, die volmaakt
tevreden met zijn lot was, zolang hij tussen de Baas en de Vrouw in
mocht slapen.
Een andere reisgenote, de jonge vrouw G., die gedurende de beschietingen
van Groesbeek met haar gezin een schuilplaats gevonden had in de kelder
van de bakker en nu met hen samen gevlucht was, bracht de nacht eveneens
op alleszins bevredigende wijze door. Zij had aanstonds verklaard
onmogelijk in de stal op de vloer te kunnen slapen en zich in de warme
keuken geïnstalleerd. Een strategisch zeer gunstige positie, volgens de
stelregel dat de eerste slag een daalder waard is. Anneke de
bakkersvrouw, 's morgens verkleumd uit de stal komende, verraste haar
bij het ongenodigd verorberen van Anneke's
|