| 44L - Vervolg dagverhaal |
blz 200 |
Groesbeek, Nijmegen, de Betuwe. Vele hoog opgestapelde boerewagens
met huisraad en beddegoed, schreiende kinderen, doodvermoeide vrouwen en
verstrakte mannen. Een deerniswekkend tafereel en toch kan een glimlach
nauwelijks bedwongen worden bij 't herkennen van één onzer
Groesbeeksche buren, een dame van onbestemde leeftijd die zonderling
uitblonk tussen al die vrij haveloze vluchtelingen; keurig uitgedost als
voor een plechtige receptie. Een statiegewaad sierde haar omvangrijke
gestalte, een hoed vol pluimen de blonde lokken; zo opgetuigd duwde zij
een kinderwagen voort, opgetast met dozen. "Al mijn japonnen heb ik
gered!" riep zij mij zegevierend toe. Tot haar eer moge vastgesteld
worden dat zij haar onogelijke hondje niet achtergelaten had, het
troonde bovenop de dozen.
Een andere bekende stem roept, buurvrouw Lien en haar zoontje banen zich
een weg naar mij toe. De vorige avond - hoe lang geleden leek 't -
maakten wij de afspraak om gezamenlijk te vluchten; de granaatregen van
deze morgen had het onmogelijk gemaakt de belofte te volvoeren.
De Heer Hoefnagels, ambtenaar van ons gemeentehuis, zou Lien en haar
zoontje Henk naar Ravenstein brengen: "Komt U ook gauw mee, hier is
't vol en daar is nog plaats." Zijn vriendelijk aanbod werd niet
aangenomen, ik wilde de aankomst van mijn familie afwachten. Om mij toch
te helpen gaf hij een introductie voor de Wychensche secretaris, die ons
volgens zijn verzekering
- 8 -
wel een geschikt onderdak zou kunnen verschaffen.
Alvorens naar het gemeentehuis te gaan, zag ik rond naar iemand die op
de aankomst van onze wagen zou willen letten. Aan de kant van het
marktplein stonden een paar brave oude kereltjes, als voor de eeuwigheid
vastgeworteld, het ongewone vertier gade te slaan. Aan hen gevraagd om
uit te zien naar een lange platte wagen ..... en hier volgde een
nauwkeurige beschrijving, waarin de heer met het witte haar en de witte
hond de kenbaarste onderscheidingstekens vormden. De beide mannen
verschoven, aandachtig luisterend, hun pruim achter de andere wang,
verzekerden dat zij vast niet voor donker naar huis zouden gaan en goed
op zouden letten. Gerustgesteld op dit punt richtte ik mijn schreden
naar het mooie kasteel waarin het gemeentebestuur zetelt en kreeg, dank
zij Hoefnagels' aanbeveling, voor de familie het huis van met Dolle
Dinsdag gevluchte Duitschers toegewezen. 't Zag er behoorlijk uit en
toch stond het mij tegen er gebruik van te maken. Misschien zou de
Dominee nog iets anders kunnen raden?
Niet ver van het kasteel lag de ouderwetsche pastorie, breeduit gebouwd
met rechts de kerk en links het koetshuis, waarin de
benzinekooktoestellen van de militairen stonden te loeien. Soldaten
liepen af en aan, in de tuin waren grote legerwagens onder de bomen
geschoven. Er was reeds een gehele familie Betuwsche vluchtelingen in 't
huis ondergebracht; toch nodigden de jonge Dominee en zijn vrouw mij
gastvrij uit om bij hen te blijven slapen. Zo ik mij tenminste met de
bank in de salon behelpen wilde, en met een oude donzen deken voor dek
..... een bed of slaapkamer hadden ze niet beschikbaar. Alles in huis
lag nog wat overhoop, zij waren er door de Duitsers uitgezet geweest en
nu pas, na de bevrijding in teruggekeerd.
De schemering viel reeds toen ik naar het thans verlaten marktplein
terugkeerde; slechts de twee oude, trouwe kereltjes stonden er nog.
Volgens hun getuigenis was er geen wagen met oude heer, hond, enz.
aangekomen en nu ze 't mij gemeld hadden, trokken ze ook maar naar
- 9 -
huis, er viel niets meer te beleven, 't was toch afgelopen.
't Was afgelopen, niets meer te doen, lijdelijk afwachten wat er van de
anderen geworden is. Opeens weegt de vermoeidheid loodzwaar, hond en
vrouw slepen hun benen achter zich aan naar de Pastorie. En daar
ontvangt ons na deze weken van spanning de wonderlijke weldadigheid van
de rustige huiskamer waar het gebulder der vuurmonden slechts flauw en
onwezenlijk doordringt. De twee jonge menschen die niet beklagen doch op
de beste wijze, met raad en daad, medegevoel betuigen. Na de bescheiden
inleidende vraag: "U heeft er toch niets op tegen, 't is onze
gewoonte 's avonds?" de troostende en sterkende Bijbelwoorden,
waarvan de onverwachte gast vermoed dat zij opzettelijk voor haar
uitgezocht zijn.
|