| 44Q - Vervolg dagverhaal |
blz 250 |
Aan het middagmaal deelde de boerin zelf op ieder bord een stukje
spek of vlees uit. Het eten was niettegenstaande het grote aantal gasten
goed en overvloedig geweest.
Ongemerkt nemen wij de nieuw aangekomenen eens op. Zij zien
- 104 -
er uit als wéldoorvoede, wélverzorgde lieden en allerminst als
verkommerde vluchtelingen. Op onze vraag of 't hen niet spijt een zo
goed kwartier te hebben moeten verlaten, bekennen zij dat 't er toch
verre van veilig was; de Duitsers liggen immers nog steeds ten Oosten
van de spoorbaan Arnhem-Nijmegen en bombarderen van daar uit enige malen
per dag de gehele streek te Westen zo ver zij die bereiken kunnen met
hun geschut. Er loopt een gerucht dat de Duitsers bij hun aftocht de
dijk van Gendt zullen doen springen waardoor de Betuwe geheel onder zal
lopen. Om die reden is iedereen uit Elst vertrokken; enkele onversaagde
mannen uitgezonderd die achter blijven voor de verzorging van het vee.
Dokter Paul en Trees hebben hun boerderij daar ergens ver weg aan de
rand van de Beerse Maas verlaten en wonen nu in een grote villa even
buiten het stadje; een huis dat om onnaspeurlijke redenen door de
Ravensteiners nooit met zijn naam doch altijd met de kadastrale
aanduiding C3 benoemd wordt. De Dokter is hier gemakkelijker te bereiken
voor zijn talrijke Groesbeekse patienten; naast de Ravensteinse dokter
neemt hij de vluchtelingen-praktijk waar. C3 is door zijn eigenares
verlaten na de noodlottige avond waarop haar zoon in de gang
doodgeschoten werd door de Duitsers. In de grote villa hebben behalve
het doktersgezin ook een Betuwse jamfabrikant met familie en een uit den
Haag geëvacueerd echtpaar onderdak gevonden.
Op een morgen laat Trees vragen of ik niet even aan wil komen, er is
goed nieuws: de Haagse dame heeft een warme wintermantel ter beschikking
die mij misschien wel passen zou. Ik koester een sterk vermoeden dat het
hele voorstel aan Trees' brein ontsproten is.
Wij maken kennis, de Hagenaren en ik, waarbij mijn bekendheid met hun
stad al dadelijk een punt van aanraking vormt, en monsteren elkanders
figuur, Mevrouw is klein en tenger. Niettegenstaande haar plaatsje vlak
naast de kachel heeft zij een wollen sjaal om, een plaid over de voeten
en mitaines aan de handen.
- 105 -
"Iedere dag in alle weer en wind zien wij U zo dapper voorbij
trekken met Uw neefje en de honden. Ik benijd U, zelf hield ik ook
zoveel van la vie au plein air. Alle sport: wandelen, tennissen,
paardrijden, zwemmen! Nu, met mijn hevige rheumatiek kom ik haast nooit
meer buiten en ik heb nog wel drie wintermantels mee kunnen nemen toen
wij den Haag moesten verlaten."
"Vergun mij, U te assisteren" klinkt een geaffecteerde stem
achter mijn rug en daar staat de Hagenaar met het bewuste kledingstuk
uitnodigend te wachten en helpt er mij met een buiging in.
"Neen maar, ça va comme un gant! Kijkt U eens in de spiegel!"
verrukt roepen ze het uit.
Welk een gedaanteverwisseling. Het spiegelbeeld toont niet meer een
schamele vluchteling in een tot op de draad versleten jasje maar een
dame gekleed in net zo'n mantel van warme wol met koesterende persianer
kraag als op Vogelsangh voor de plunderaars achter bleef.
Overgelukkig neem ik afscheid, of eigenlijk een afscheid is 't niet maar
een: "Tot de volgende keer, want U wilt nog wel eens terugkomen
niet waar? dan halen wij weer gezellig herinneringen op aan die
heerlijke Haagse tijd."
"Ende despereert nimmer", hoe goed was de raad die Coen gaf,
hoe hebben wij dat ooit kunnen vergeten.
Een paar dagen later doelloos door het stadje slenterende, zie ik aan 't
andere einde van de straat een boer heftig met zijn arm zwaaien terwijl
hij koers in mijn richting zet. Hij heeft iets bekends, dat vossegezicht
heb ik meer gezien, ja 't is de vader van de 12 kinderen in het
kippenhok. Van verre roept hij al "Wat zien ik bliede oe te zien,
ik zocht oe al en wist niet waar ik oe vinden kon. Weet-de 't al dat er
klompen uitgedeeld worden? Daar in die oude kapel! Gaat er maar gauw
henen, ze vliegen weg!"
Ik laat 't mij geen tweemaal zeggen en draaf er heen.
Om onnaspeurlijke redenen worden uitdelingen nooit aangekondigd, is men
bang dat er te veel liefhebbers zullen opdagen? Toch staat er reeds een
|