| 44Q - Vervolg dagverhaal |
blz 247 |
Na opheffing van Ravensteins eigen gaarkeuken zorgde een fabriek in
Oss voor de bereiding van de maaltijden. Stapvoets per paardenwagen
werden de grote kookpotten aangevoerd. Wij vroegen ons af hoe het
mogelijk was de inhoud zo goed op temperatuur te houden op dit lange
traject. Warm was
- 98 -
het altijd, meer goeds viel er niet van te getuigen.
Het Ravensteinse gaarkeukencomité had zijn werkzaamheden besloten met
een keurig etentje bestaande uit drie gangen: een krachtige soep, vlees
met verschillende groenten en puddingen na. Een der leden van het
comité somde volkomen argeloos voor onze oren al deze heerlijkheden op.
Onbewust dat 't ons eenzelfde gevoel gaf als in de goede oude tijd de
inwoners van de gestichten van liefdadigheid ongetwijfeld zullen gehad
hebben wanneer de Regenten en Regentessen hunne uitvoerige feestmalen
hielden en de verrukkelijke geuren uit de keuken naar het verblijf van
hun beschermelingen overwoeien. De beschermelingen die zich met de een
of andere stamppot moesten vergenoegen. Hoewel deze stamppot een
menswaardiger maal zal uitgemaakt hebben dan onze emmer met grauw voer.
De stelling wordt wel eens verkondigd als zou alles hier op aarde vroeg
of laat afgerekend worden. Werd thans aan ons, de nazaten, de rekening
gepresenteerd van de overvloedige gelagen waaraan onze voorouders zich
eenmaal te buiten zijn gegaan?
Vele vluchtelingen gingen er toe over om hun eigen potje te koken, doch
hoe zouden wij dat hebben moeten klaarspelen, kachel zowel als
schoorsteen ontbrak ons. Een pijp door het raam zou nog uitkomst hebben
kunnen geven zo er slechts een kachel te koop ware geweest. Doch dit
nuttige voorwerp was zo min te verkrijgen als zovele andere onmisbare
zaken. Zelfs onze doorgelopen schoenen konden wij voor geld noch goede
woorden gelapt krijgen. Misschien wel voor spek, maar dat bezat een
vluchteling niet. Vergeefs deed ik moeite om althans een paar klompen te
bemachtigen. Wij buitenmensen konden ons wel op klompen redden, wij
waren immers gewoon ze bij modderig weer in de tuin te gebruiken.
Na lang zoeken had ik ergens in een naburig dorpje een klompenmaker
ontdekt die mij tegen een bepaalde dag een paar in 't vooruitzicht
stelde. Toen Paul en ik er heen togen om ze op te halen, bleek de man
zich niet
- 99 -
aan zijn belofte te hebben gehouden. "Want ziet U, wij mogen ze
eigenlijk niet aan particulieren afleveren, ze zijn voor de distributie
bestemd, enkel voor die arme vluchtelingen maken wij wel eens een
uitzondering."
De man keek vreemd op bij mijn verzekering ook een vluchteling te zijn,
even bleef hij met de mond vol tanden staan om er zich toch nog,
kronkelend als een glibberige aal, tussen uit te werken.
Zonder het begeerde schoeisel keerden wij langs de modderige landwegen
huiswaarts; terneergeslagen, zwijgend. Totdat het trouwe kameraadje
Paultje ineens in snikken uitbarstte. Op mijn verschrikte vraag wat hem
scheelde kwam hortend en afgebroken het van hartelijk medegevoel
getuigende antwoord: "Ik vind 't zo vreselijk naar voor je dat er
niemand is die klompjes voor je wil
maken." Ondertussen kloste de kleine kerel zelf tenminste met een
paar droge voetjes door de vette klei, dank zij de door Ineke van haar
expeditie naar Vogelsangh meegebrachte holsblokjes.
Met het vorderen van het najaar begon een ander vraagstuk nijpender te
worden, namenlijk het gebrek aan verwarming. 's Avonds als de kinderen
naar bed waren en het werk aan de kant, werden Vader en Moeder
uitgenodigd om bij hun gastvrouw en gastheer in het warme keukentje te
komen zitten. Overdag leden zij kou, vooral invalide Vader die niet zo
als wij door een flinke wandeling het verkilde lichaam weer op
temperatuur kon brengen.
De hoop op een spoedige thuiskeer was vervlogen, de mogelijkheid om naar
Breda te gaan onzeker. Er moesten maatregelen getroffen worden om zo
goed mogelijk de winter door te komen. Moeder ging op zoek naar een
ander onderdak met gelegenheid om te stoken; ook Ineke en ik staken onze
voelhorens uit. Zonder enig resultaat.
|