| 44O - Vervolg dagverhaal |
blz 228 |
Zuster Marie komt op een morgen mijn kamer inspecteren, rondkijkend
bromt zij tevreden. Vervolgens wordt mijn bed aan een zeer grondig
onderzoek onderworpen en aangezien de onderlaag enkel uit een ouderwetse
springbak bestaat, als te hard veroordeeld. Na een half uurtje keert zij
terug met een deken over de arm, "Hier, die heb ik zelf nog over en
de kostersvrouw heeft een verenbed ongebruikt liggen, dat kunt U ook
lenen. Ze wilde 't eerst niet afstaan, maar ik zei tegen haar: Ik zie
jou al op zo'n hard kreng liggen! Je weet ook nog wel uit den tijd dat
je in den Haag bij de Grootheid diende, wat voor zachte bedden die lui
gewoon zijn en nu is 't voor Onzen Lieven Heer toch niet verantwoord dat
je dat ding hier ongebruikt laat liggen, terwijl een ander het nodig
heeft." Wereldwijze Zuster Marie voegde er aan toe: "Kom 't nu
maar gauw halen, anders krijgt ze nog berouw over haar
vrijgevigheid."
De Kostersvrouw hielp heel gedienstig om 't onhandige dikke bed over de
Plaats te dragen en op mijn legerstede te vleien, die nu nog hoger is
geworden. 's Avonds bemerk ik hoe verrukkelijk zacht en warm de veren
liggen. En terwijl ik van deze ouderwetse weelde geniet, maak ik mijzelf
voor een schaamteloze sybariet uit, daar thans zovele vluchtelingen zich
met een hard stroleger moeten vergenoegen.
Evenwel, een verenbed bleek ook nadelen te bezitten, tenminste in
onervaren handen. Om mijn huisgenoten geen onnodige last te bezorgen en
vooral ook om enige bezigheid te hebben, had ik aanstonds met Moeder van
Tilborg afgesproken zelf voor het in orde houden van mijn kamer te
zullen zorgen. 's Morgens zou ik dus het verenbed eens eventjes
- 63 -
opschudden en terecht leggen. Doch dat ging maar zo niet in een oogwenk,
ongelofelijk hoe zwaar en onhandelbaar zo'n ding kan zijn. Toch wilde ik
geen hulp gaan halen, ik worstelde moedig voort, net zolang totdat het
redelijk vlak scheen te liggen. Schotje keek vanuit zijn mand
belangstellend toe. Ik meende leedvermaak in zijn schrandere ogen te
bespeuren. Hij stelde waarschijnlijk met genoegen vast dat een mens even
goed als een hond, wel eens moeite heeft met het in orde brengen van
zijn leger. 't Enige verschil is dat een mens dan rustig zijn gang kan
gaan, al duurt het nog zo lang; doch als een hond aan 't krabben en
draaien blijft, krijgt hij, onredelijk genoeg, een boos woord of een
slof naar zijn kop geslingerd.
Nu wij toch op het chapiter honden zijn beland, moge hier gememoreerd
worden hoe onze viervoeters zich hun plaatsje in de Ravensteinse
hondenmaatschappij veroverden.
De ontvangst die hun soortgenoten hun bereidden was verre van
welwillend. Ze schenen onderling afgesproken te hebben om die ingebeelde
rashonden eens eventjes op hun rechtmatige plaats van nauwelijks gedulde
vluchtelingen te zetten. Schotje lokte met zijn fiere, uitdagende
houding de hoofdaanval tot zich, vier, vijf straatrekels traden dreigend
en vervaarlijk grommend op hem af. Schot, volgens Napoleon's stelregel
die luidt: "l'attaque est la meilleure défense", of in goed
Hollands: "de eerste hap is een daalder waard", Schot
verspilde geen tijd met woorden maar deelde onverwijld links en rechts
enige wèlgeplaatste knauwen uit, zodat de haren in 't rond stoven en de
gehele troep jankend de poten nam. Geen hond waagde het voortaan meer
hem lastig te vallen en zijn kameraad Joris, die toch enkel
belanghebbend toeschouwer was geweest, genoot mee van de vruchten van
deze overwinning.
't Grappige was dat van stonde af aan alle Fikjes en Fidels van de
straat weggevaagd waren zodra Schot van Vogelsangh, de Schrik der
Ravensteinse Honden met stijve poten en steil opge-trokken staartje zijn
- 64 -
wandeling ging maken. Maar achterom kijkend zag men om de hoeken van
huizen en door heggen voorzichtige hondensnoetjes gluren of die
gevaarlijke hond, dat verschrikkelijke ondier, al uit de straat
verdwenen was.
's Middags na een wandeling bij mijn familie komend, vind ik Vader
alleen thuis, met de uitdrukking van wijlen Job op het gelaat, zittend
in een vrijwel leeggedragen kamer.
"Wat is hier aan de hand?" "De bakenmeester is weer in
zijn huis getrokken en nu heeft hij zijn meubels die hier zolang stonden
opgehaald, de twee tafels, het kastje. Wat moeten wij nu?"
|