| 44N - Vervolg dagverhaal |
blz 218 |
Bij het binnentreden tinkelde een kristallen kroontje
zo fijntjes als het wijsje uit een oude muziekdoos. Het vertrek werd
zwak verlicht door een druipend bruin kaarsje, 't verspreidde de
eigenaardige geur van smeltende was. Mijn gastvrouw keek vragend naar
mijn gezicht: "Bent U over de kamer tevreden?" Op het
volmondig toestemmend antwoord glom het goedmoedige gelaat van
voldoening. Terwijl ik uit rugzak en koffertje mijn weinige bezittingen
pakte, vouwde zij het bed open en schonk water in de waskom. Die kleine
zorgen gaven mij het gevoel alsof ik bij een oude getrouwe van de
familie terecht was gekomen, die zo dadelijk herinneringen zou gaan
ophalen aan: "Uw beste vader een Uw lieve Moeder" en aan den
tijd "toen U zelf nog maar twee turven hoog was ....."
Al spoedig zaten wij bij het flakkerende vlammetje aan weerszijden van
de tafel te praten, te praten totdat de kaars bijna in de pijp brandde
een de goede vrouw met schrik opmerkte: "Och gorrie! en we moeten
nog wel zo zuinig met het licht zijn, 't was een hele gunst dat buurman
de Koster mij deze kaarsen heeft afgestaan."
Buurman de Koster, dat was een verklaring voor de kerkelijke geur die
zij verspreidden.
Toen ik in 't hoge ledikant klom, stootten mijn voeten tegen een warme
kruik. Zonderlinge tegenstrijdigheid van de menselijke natuur: de ogen
die bij alle tegenspoed en bij alle aanschouwde ellende droog waren
gebleven, schoten vol tranen bij de ontdekking van die onverwachte zorg.
Allerlei Groesbeekse bekenden kwamen dezer dagen bij Vader inlopen om te
vernemen wat hij van militair oogpunt over de toestand dacht. Een zelfde
vraag werd steevast gesteld: "Denkt Meneer dat wij spoedig
- 42 -
terug zullen keren?" Wie vermocht daarop het antwoord te geven?
Een paar Ravensteinse heren wist eveneens de weg naar ons te vinden om
inlichtingen in te winnen over de betrouwbaarheid van bepaalde
dorpsgenoten. Namens de Geallieerden werd er geïnformeerd naar
Groesbekers geschikt en bekwaam om als gidsen voor militaire patrouilles
te dienen; in 't bizonder naar onverschrokken mannen goed bekend met het
Reichswald. Hiervoor meenden wij geen meer deskundige personen te kunnen
aanraden als de bekende smokkelaars en stropers.
Na de gehele dag bij de familie doorgebracht te hebben, ging ik vroeg
naar mijn nachtkwartier om kennis te maken met de verdere leden van het
gezin van Tilborg, en betrad daartoe de keuken. Een echt Brabantse
keuken met een schouw die een gehele wand besloeg en onder die schouw,
behalve een gemetselde oven, een machtig, blinkend gepoetst fornuis. Op
de servieskast troonde Ons lieve Vrouwke temidden van voorraadbussen. De
wanden waren bedekt met ruitvormige witte tegels, hoog aan de muur hing
een kooi met een roosduifje, zijn vreedzame roekoe had 's morgens mijn
oor al getroffen. Midden op tafel stond een petroleumlamp in een
weckglas met zand gestoken omdat de voet ontbrak. Vlak bij 't licht
geschoven waren de twee dochters degelijke zwarte manskouden aan 't
stoppen. De vader trachtte bij het schijnsel een zo juist verschenen
krant, de Sirene van Oss, te ontcijferen. Verder zaten om de tafel drie
van de zoons: Adriaan de timmerman, Harrie de bakker en Toon arbeider op
de graanmaalderij. Schra, de oudste, deed als gewezen soldaat dienst bij
de O.D. en kwam later op de avond even binnenlopen om tussen twee
wachten in een kop thee te halen. Er was nog een zoon, plechtstatig
genoemd Frater Joachim en huiselijk weg 'onzen Franske'. Hij woonde
ergens in de buurt in een klooster en zou van tijd tot tijd verschijnen.
De moeder van het gezin had haar plaatsje in een leuningstoel naast het
fornuis en schilde aardappels, een houten bak op de schoot en een emmer
naast zich. Met onbegrijpelijke snelheid draaide de aardappel
- 43 -
rond tegen het smalle mesje aan, een steeds langer wordend lint schil
kronkelde naar beneden, totdat de naakte knol met een zachte plons in de
emmer verdween.
Bij al die soldaten die in de laatste oorlogswinter hunne avonden in de
gastvrije keuken hebben doorgebracht, zal waarschijnlijk het beeld van
de eenvoudige vrouw in het bonte schort het scherpst in de herinnering
gegrift zijn gebleven. Scherper dan dat van de paar vriendelijke meisjes
|