| 44M - Vervolg dagverhaal |
blz 215 |
Onze goedmoedige Groesbekers, wat men ook ten hunnen nadele te berde
mag brengen, aan barmhartigheid ontbreekt het hen zeker niet. Hoe
gastvrij stelden zij hun huizen niet open voor ondervoede kinderen uit
eigen land zowel als uit den vreemde. En hoe liefderijk werden de
ongelukkigen ontvangen die in de eerste oorlogsdagen uit hun woningen
verdwenen waren.
Moeder bracht aan een zekere vrouw - Gien van den Doolhof werd zij
genaamd - dat gebrek aan Christelijke barmhartigheid op treffende wijze
aan het verstand. Op een keer vergezelde Moeder mij een eindweegs op een
van mijn speurtochten, waarbij wij een met pakken beladen vrouw tegen
kwamen. Met de scherpe intuïtie van de vluchteling voelde zij
lotgenoten voor zich te hebben en begreep waar wij op uit waren. Zij
duidde het door haar verlaten adres uit doch voegde er de mededeling aan
toe: "Ge meugt het proberen, maar ik waarschouw oe, ik had er geen
goeie schik."
De ontvangst van haar gewezen hospita deed ons dit aanstonds begrijpen.
- 37 -
Zij de ingang versperrend met haar omvangrijke gestalte, wij buiten in
de druipende regen. Haar weinig welwillende woorden deden mij aanstonds
rechtsomkeert maken. Moeder echter wilde deze kans niet verspelen - 't
huisje lag er inderdaad aardig temidden van een appelenboomgaard - en
attakeerde haar met de vraag: "Ge gaat zeker trouw naar de
mis?"
"Ja, iederen dag" luidde het zelfvoldane antwoord van iemand
die zich met Onzen lieven Heer volkomen in 't reine oordeelt. Hierop
kreeg zij van Moeder een zo felle boetpredikatie te horen op de tekst:
"wat gij aan de minste van mijn broeders hebt gedaan, dat hebt ge
aan mij gedaan", dat geen geleerd prediker, hij moge R.K. of N.H.
zijn geweest, het haar had kunnen verbeteren. Ineke was er getuige van
en bracht er later verslag over uit. Genoeg, de uitwerking was zodanig
dat de vrouw gedwee toestemde mij op te nemen. Maar ik weigerde om daar
ooit een voet over de drempel te zetten. Was 't trots of koppigheid of
bestaan er inderdaad beschermengelen die ons stervelingen goede
inblazingen geven?
Onnodig alle vergeefse pogingen, alle teleurstellingen verder op te
halen. juist toen mijn stemming volkomen beneden peil gedaald was en ik
't gevoel kreeg alsof er nergens op de wereld meer een plaatsje voor mij
over was, raadden zowel Bruggers als Zuster Marie mij aan om eens te
gaan vragen bij het huis aan 't einde van de Plaats. Volgens hun zeggen
zou daar zeker wel ruimte zijn, al was 't gezin groot. Uiterlijk zou men
dat niet veronderstellen, 't was een weinig opvallend ouderwets huis met
twee deuren en twee ramen, zonder verdieping maar met een uitzonderlijk
hoog dak dat bekroond werd door een sierlijk gekrulde klokkestoel waarin
een luiklokje hing. Het ijzerwerk van de klokkestoel vormde de letters
I.H.S., in hoc signo, de kenspreuk der Jesuiten, met een kruis. Volgens
de overlevering zouden een paar eeuwen geleden Jesuitenpaters hier
gewoond hebben. Dit huis maakte met het hek waar het Parochiehuis achter
lag, de derde zijde uit
- 38 -
van de Plaats die aan de twee andere kanten begrensd werd door de
tuinmuur en woning van den Koster en de muur van Bruggers' tuin. Het
gehele complex lag op een bastion van de voormalige vesting, het werd
afgesloten door de gracht en had slechts een enkele toegang vanaf de
Walstraat.
Nog stond ik in beraad of ik wel bij de juiste van de twee deuren had
aangebeld of deze ging al open. Een rond, ouder vrouwtje keek mij met
een paar pientere oogjes onderzoekend aan; zij beschouwde mij van het
hoofd tot de voeten, doch niet op hinderlijke wijze. Even stonden wij zo
zwijgend tegenover elkander, ieder woog de andere. Tot welke slotsom zij
kwam, kon ik enkel raden, mijn indruk was dat zij geleek op de moeder
van bruintje Beer, de held van het bekende kinderverhaal.
Vriendelijk klonk het antwoord op de reeds zo talloze malen vergeefs
gestelde vraag naar onderdak: "Ge meugt hier gerust een paar
nachten komen slapen met oewen 'ond en wel blieven ook als ge niets
anders vindt."
Er ging iets aantrekkelijks uit van deze eenvoudige, moederlijke vrouw,
van dit oude huis, van de nette tuin die te zien was aan 't einde van de
glimmende zwart marmeren gang.
Na die laatste nacht in het Posthuis onthaalde ik mijzelf op een
grondige waspartij en bracht de kamers zo goed mogelijk in orde, met
deze werkzaamheden ging de gehele morgen heen. Tegen
|