| 40G - Blok vervolg |
blz 21 |
{vel 19}
"Als een kijkspelletje naar de ellende van hun medemenschen gaan
zien." De Z. en zijn vrouw hadden deze ellende zeer wel meegevoeld,
doch deze menschen met hun domme glimlach - ze waren immers fijn een
dagje uit, met de boterhammen mee - begrepen niet, dat deze
verschrikkingen en ellendige dood evengoed hun deel hadden kunnen zijn.
De straten waren onherkenbaar, enkele groote of gespaard gebleven
gebouwen staken er als bakens boven de puinhopen uit: de muren van het
uitgebrande ziekenhuis aan de Coolsingel, de schouwburg met zijn gapende
leege deuren en ramen. De Hollandsche galgehumor had bij één van de
groote deuropeningen het gedrukte carton gehangen, waarop de woorden:
Beleefd verzoek, de deuren te sluiten, ter voorkoming van tocht.
Wonderlijk genoeg stonden de groote gebouwen aan de Coolsingel nog
overeind en het stadhuis en de Post waren zelfs weinig beschadigd. Wel
echter het flatgebouw er naast; zag daar duidelijk aan den achterkant
hoe een bom zich van boven naar beneden een weg door de muur had
gebaand, links en rechts stonden nog twee reepen muur verdiepingen hoog
overeind. Van de beton- en staalbouw blijft het geraamte staan, dit
toonde de zwart verbrande Bijenkorf. In de verte ergens de rest van de
eens zoo zorgvuldig bewaarde oude Delftsche Poort. De ruïne van de
groote kerk: enkel slechts de muren. Op de Coolsingel is men bezig, een
trieste rij houten noodwinkeltjes in elkaar te zetten. De Twentsche bank
is nog zoowat bruikbaar, hoewel ook gaten. Een handwijzer geeft de
ingang aan, over een houten vlonder naar een trapje. Overal is werkvolk
aan 't puin ruimen en sloopen, zwijgend en ernstig, maar behulpzaam voor
de voorbijgangers. IJzerwerk is tegen vernielingen bestand,
naaimachines, autos, fietsen en bedden en in menige leeggeruimde kelder
staat vierkant een verwarmingsketel. Kolenkelders, waarin het werkvolk
staat te graven en te hakken als in een kolenmijn, want in de door de
gesprongen waterleidingen ondergeloopen kelders zijn de kolen
samengeklonterd tot een harde massa. Op vele puinhopen staat een bordje
met de naam van de zaak die daar gevestigd was en de vermelding van het
nieuwe adres. Soms enkel een loodsje aan den wallekant tegenover de
plaats van de oude zaak. Zoo één, waarop de eigenaar als naam
"Nooit gedacht" had gezet. Een hoefijzer was boven de deur
vastgemaakt. Hier en daar tentjes waar flesschenmelk en reepen chocolade
waren te krijgen. Aangeplakt de aanmaning om zich te laten inenten. Het
leelijke witte huis staat overeind, evenals de hinderlijke viaduct door
de stad, deze laatste heeft echter vele moeten van bommen, wat van
onderen duidelijk te zien is. Het Beursstation verwoest, een houten
hulpgebouwtje is er tegenaan gemaakt. Aan de Boompjes staat nog het oude
huis waarin de Scheepsverbandmaatschappij is gevestigd, maar verderop
alles vernieling en puin. Het Haringvliet ligt voor de
{vel 20}
Terugreis
26 Juli. helft tegen den grond. Het Maasstation is geheel en al plat
en wordt vervangen door
een zeer primitief loodsje. De regen en modder verhoogden nog de
naargeestige indruk van verloren Rotterdam. Afschuwelijk is het woord,
dat ervoor past.
De terugreis over Utrecht, Arnhem. In de Geldersche vallei vele
boerderijen in puin. Steeds regen, het kleine veerbootje over de Rijn
nat en slikkerig, doch bij aankomst in Groesbeek was de regen
opgehouden, 's middags om vijf uur. Dina wachtte mij aan de bus en
toevallig was de Dominé er ook, die mij dadelijk verslag uitbracht over
de bommen, die de vorige nacht, na voorafgaande waarschuwing gevallen
waren. Daar deze waarschuwing zich ook over de paar volgende nachten
uitstrekte, kwamen er al spoedig uitnoodigingen van de Pastorie,
Mariental en onze achterburen om bij hen de nacht door te brengen. Wat
door mij, hoewel dankbaar voor de betoonde bezorgdheid, afgeslagen werd,
daar gevaar toch niet te ontloopen is en ik het zoo goed thuis als
elders kon afwachten. 's Avonds een warme jas en de tasch die mij op
reis vergezeld had, bij de hand gelegd, en heerlijk en ongestoord
geslapen. Een betere rust genoten dan de menschen die er geheel
noodeloos een nachtwake van hadden gemaakt.
|