44G Dagverhaal Vervolg |
blz 164 |
parochianen over Duitsland naar de Gelderse Achterhoek mocht uitwijken. Het
verzoek werd toegestaan. 's Nachts onder bescherming van de duisternis trokken
de vluchtelingen bij troepjes weg; Duitse legerwagens namen de oudjes, de
zieken en de kleinste kinderen mee. De vertellers voegen op dit punt van hun
verhaal geregeld de opmerking toe dat zij daar gelukkig goede Moffen hadden en
geen kwaje. - Alsof er sprake ware van goede en kwade honden. - Onder een
hevig bombardement verzamelden alle vluchtelingen zich in de oude
bedevaartskerk van Cranenburg - die reeds ontelbare malen in de vervlogen
eeuwen slachtoffers van oorlogen en overstromingen binnen zijn muren
geherbergd heeft - om de volgende morgen naar Zevenaar vervoerd te worden. Van
Zevenaar uit werden zij in verschillende plaatsen onder gebracht, tot achter
in Groningen toe.
Met tegenzin trokken de Groesbekers naar het verre onbekende Noorden des lands;
nu spreken zij vol lof over de brave mensen in die streken en herinneren zich
met een zekere heimwee hoe goed zij het daar hadden.
Na deze lange afdwaling keren wij naar onze eigen kelder terug.
Noodgedwongen zaten wij weer beneden; buiten donderden de granaten en telkens
hoorden wij ontploffingen. Er begon een brandlucht in ons ondergronds verblijf
door te dringen. Onder voorwendsel van in de keuken in de erwtensoep te
- 52 -
moeten roeren, ging de een na de ander boven kijken om te zien waar die
verontrustende rook vandaan kwam.
Duidelijk hoorbaar knetterden de vlammen en achter de moestuinmuur wolkte
dikke rook omhoog. Vanuit het zoldervenster zagen wij het huisje van de Bruun
en de Tien Geboden - tien woningen onder één dak - in lichter laaie staan.
Terwijl wij dit waarnamen, steeg uit ons eigen maisveldje een rookpluim op,
het teken dat er een granaat ingeslagen was.
Er is thans gelegenheid te over vast te stellen hoe natuurgetrouw de oude met
de hand gekleurde houtsneden uit Napoleons tijd het springen van projectielen
in beeld brengen. Op dezelfde wijze zagen ook wij de granaten ontploffen: soms
als niet meer dan een rookpluim tussen het gewas of de huizen, een rookpluim
die als een zucht verwaaide; soms ook als een wolk van de grond opstijgend,
zwart van onderen en wit van boven met er doorheen schietende gele en rode
vuurflitsen.
Moeder wilde ons het gewone Zaterdagse menu bestaande uit dikke groentesoep of
erwtensoep met drie-in-de-pan toe voorzetten; zij had echter nog niet meer dan
een enkel onnozel koekje voor ieder gebakken of Vader riep haar naar beneden,
verklarende dat het onverantwoordelijk was om met een dergelijk geschiet nog
langer in de keuken te blijven.
's Avonds, toen de boeren van de Lubert naar Vogelsangh terugkeerden, was het
schieten enigzins geluwd. Zij brachten nog een slaapgenoot mee, Ome Andries
van de Bredeweg. De oude man was enige dagen geleden naar Nijmegen gevlucht
maar vandaag naar Groesbeek komen lopen om eens te kijken hoe de familie op de
Lubert het maakte.
Andries-Ome vertelde wat er voor zijn vertrek aan de Bredeweg - een gehucht
ten Zuiden van Groesbeek vlak bij het Wald - was voorgevallen. De in hun
verscheidenheid toch gelijkvormige verhalen van Moffen die elke nacht
overvallen deden, handgranaten in huizen, schuren en
- 53 -
schuilkelders wierpen en alles wat branden wilde aanstaken. De pastoor van de
Bredeweg was met het merendeel van zijn parochianen naar het gesticht de
Muntberg gevlucht, dat temidden van de bossen ten Westen van het dorp ligt. Al
spoedig geraakte dit gebouw overvuld met vluchtelingen waarop die van de
Bredeweg verderop naar het retraitehuis op de Hoenderberg zijn getrokken.
Zondag 24 September.
Bij het ontbijt las Moeder ons de psalm voor welke begint met de woorden:
"Uit diepten van ellende roep ik met mond en hart tot U, die heil kunt
zenden ....." Dat was onze godsdienstoefening.
|