| 43B CAHIER-2 Vervolg |
blz 103 |
In Giethoorn tamelijk storm- en regenachtig weer. Eén keer met een
stortbui ging het niet meer waterdichte dekzeiltje door terwijl ik op 't
Molengat lag te dutten; moest bij thuiskomst alles in 't stookhok te dr
ogen hangen.
Meester Meijer van Giethoorn-Noord raadde mij aan om de Otterskooi te
bezoeken. Om voor half tien v. huis, boterham mee. Eerst naar 't
Kooikershuis aan de Tyssengracht. De vrouw was alleen thuis, met het
druktemakende kooihondje, dat pas weer rustig werd, toen ik weer in mijn
cano zat. De vrouw zeide: "Voor nog geen duizend gulden ging ik in
dat dingien." De kooiker zou pas om 2 uur met bezoek bij de kooi
kunnen zijn en 't was goed 10 uur. Wat heb ik in die "zoek te
brengen" vier uur genoten!
Gevaren nu langs de vruchtbare akkers en groote boerderijen van de
nieuwe polder, waar tarwe, rogge, haver en aardappels groeien; dan langs
hooilanden, waarvan het geurige hooi op een p. laadboomen door 2 man
naar de bokken 1) of punters gedragen werd. En verder door het riet- en
kraggeland of -water, want je weet niet waar 't eene begint en 't andere
ophoudt. Verraderlijk voor wie het niet kent; wat water lijkt is
dikwijls meters diepe modder en wat land schijnt een sponsachtige massa
die op het water drijft. Een echte woestenij, waar de bruine kiekendief
overheen zweefde. In 't riet allerlei geluiden v.d. watervogels, veel
meer dan ik er thuis kon brengen. En dan de bloemen! Een haast
bedwelmend zoete geur v.d. moerasspirea, "broodbloem", verder
kattestaarten, wilgeroosjes, orchideën, maar wat zal ik ze opnoemen, 't
zijn er zoo eindeloos veel. Daarna Dwarsgrachten door: een verloren
buurtje aan weerskanten van een breed, kronkelend water. Vroeger was 't
enkel p. boot te bereiken, nu loopt er een voetpad door, dat zijn
eindpunt vindt in Jonen.
De tocht ging weer verder door de smaller wordende Dwarsgracht die met
bochten en ten slotte een onverwachte rechte hoek op 't Beulaker Wiede
uitloopt. Even de neus v.d. cano gestoken op het groote water en even de
machtige lange deining gevoeld, die zoo uitlokkend trok naar de verte.
Maar weerstand geboden aan de verleiding en geluisterd naar 't verstand
dat zeide: "Op dat water weet je noch wat je aan de cano noch wat
je aan je eigen krachten hebt, ga er niet alleen op ....." en
omgekeerd. In Dwersgrechte{?} aangelegd bij herbergje en boterhammen
gegeten met een lekker glas melk, in gezelschap van de vrouw die bezorgd
waarschuwde v.d. Beulaak. Ze werd vertrouwelijk bij 't noemen van den
naam v. Meester M. en Dr.B.C., doch ging wijselijk niet in op de
sleepbooten. Eén van 10, 1 v. 12 meter, zonder naamplaten, deze er af
geschroefd. De jongen: "Wat een mooi bootje, ik heb ze wel eens
minder gezien."
Even vóór twee bij de kooi terug en gewacht op 't bootje dat aal
spoedig aankwam: kooihondje kondigde het aan. Er zaten drie man in
"Is hier de kooiker bij?" De kooiker, Klaver, een genoegelijke
oude boer op zijn Zondags en een vervelende Steenwijker die uit de toon
viel en waarvan de minder gepaste opmerkingen door de anderen
doodgezwegen werden. De kooiker waarschuwde eerst zijn 3 gasten en
voornamelijk mij dat we misschien natte voeten zouden krijgen en kunt U
goed loopen? De kooi is groot. Dat hebben we bemerkt, de wandeling
duurde 2 uur, na afloop plofte de boer in 't bootje neer: "hè,
hè, wat ben ik moei."
Eerst het rechte pad langs de sloot, dan de eigenlijke ingang v.d. kooi:
een lange zwiepende plank over een moddersloot die de brug naar 't
tooverland vormde.
{vel 44}
De kooiker en zijn twee gasten waren er eerst overgegaan en keken
toen zwijgend toe hoe of 't vrouwelijk lid v.h. gezelschap die hindernis
zou nemen; ik voelde een eveneens zwijgende waardeering dat 't goed
ging, zonder kapsies. Geen verontschuldiging meer van Klaver voor natte
plekken, alleen een behulpzame hand als 't noodig was. Bij 't verlaten
v.d. kooi zeide Klaver: weet U, hoe diep de modder hier is?, met een
ondeugende tinteling in zijn oogen. 't Was, zooals hij met
Een bok is een grote
platbodemschuit. P.S.
|